Lisa

Scarlett Hoofd Graafland

Sculpturen/foto’s in bijna landschappen waar het onmogelijk lijkt te wonen, zoals zoutvlakten in Bolivia, lavavelden in IJsland, ijs op de noordpool. De bewoners moeten  zich hier moeten aanpassen aan de omstandigheden in plaats van andersom. De onverwachte elementen die ze toevoegt zijn tijdelijk en tasten niet de omgeving aan. De lokale bevolking neemt deel aan de kunstwerken, of zijn onderdeel van de . In sommige werken zitten kleine verwijzingen naar de kunstgeschiedenis.

Jean Ruiter : Illusions of a landscape & cathedrals in the desert

huisje bouwen

De inhoud en vorm van het filmpje gaat het niet om; maar de techniek. De muur in het filmpje is een echt gemaakt product, waarover gefilmd, geanimeerd en gewerkt wordt.

Ik zou zou graag als project een platvorm (letterlijk, in 3d) willen maken waar ik door middel van animeren iets wil laten in gebeuren, een verhaal vertellen of misschien meerdere onderdelen van een verhaal. Het maken van het platvorm past bij mij interesse voor materialen en texturen daarin. Daarnaast zal het ook als de basis fungeren voor het verhaal wat ik wil vertellen, wat aansluit bij het skelet/basis/huisje van mijn onderzoek. De animatie en de mogelijkheden met tijd daarin sluiten daar ook weer bij aan.

of ik wil al heel lang iets als een huisje bouwen, of een hele gemeenschap van huizen/hutten. In het groot en ook in het klein, maar hier moet ik nog een goed logisch passend plan voor verzinnen.

Narratief verhaaltje

Verhaal voor narratief wil ik alsnog op mijn research blog omdat ik die (bewust) gekoppeld had aan mijn onderzoek voor research en ook abo. 

Altijd als ik terugkwam was dat naar het kleine huisje. Deze keer was het laat. Schaduwen en lichtjes. Tantes aan het koken, en de moeder op de vlonder. Eerst zag ik alleen de sigaret, het rode lichtje. Toen de hand, vlak boven mijn hoofd bleef hij hangen. Zo was ze wel, ze wist dat ik geen aanraking wilde. 
Of het leuk was
Vertel eens wat heb je gedaan
Waar ben je geweest
Nergens, dat was genoeg want ze glimlachte en liet met het trapje op. De schaduwen werden tantes, en ook zij glimlachten. Normaal waren ze ongerust, de tantes. Maar vanavond niet want de vloed was al geweest. Netjes vol garnalen en dat was veel werk. 
De moeder was nooit ongerust. Ze hield zich kalm, vooral op de vlonder, sigaretten die haar mond nooit verlieten. Af en toe kut en godverdomme maar dat betekende niets. Daar  giechelden Bes en ik altijd om. Volgens haar mochten moeders dat best zeggen.
Tante vroeg waar was je? 
Gaat je niks aan.
Bes giechelde wat hij wist het.

Klaasje en Bes hadden het besloten vanochtend. We zouden naar de borrelende moerassen gaan. Het binnenmeer vond ik voldoende, daar waren ze nog niet heel.
Daar waren ze nog half vis, half kikker. Het was warm, en in het binnenmeer konden we zwemmen. Bovendien was de weg naar het meer het makkelijkst. Klaasje was het oudst en Klaasje mocht altijd beslissen. De borrelende moerassen, met bubbelend modder en groene harige algen. Het witte bootje bracht ons, die met de blauwe binnenkant. Dat maakte me een stuk vrolijker want lopend durfde ik niet goed. Lopend moest je langs de kust, over het strand. Over het strand van Naakte Mensen ook, en daar kwam ik liever niet. Het bootje voer er omheen, over het water, voorbij het strand van Naakte Mensen. Klaasje mocht zelfs sturen, en ik durfde naar de Naakte Mensen te zwaaien.  We werden afgezet, en verder over de denneheuvel moesten we. De paadjes bestonden toen nog niet, want de koeien waren er nog niet. Ze waren nog in Schotland. Daarom moesten we wel over de heuvel. Heet zand, brandende voetzolen, daarna nog over de dennenaalden. Temidden van het groene drab zand, achter de prikkelbossen, was het moeras. Vol met krioelende kikkers die niet wisten waar ze heen moesten. Volgens Klaasje waren we precies op tijd, nu waren ze helemaal volgroeid en binnenkort zouden ze het moeras verlaten. Plakkend aan onze tenen, glibber en pootjes. Alle kikkers hadden een geel kruis om hun rug, als kruisspinnen. Bes was al tot zijn knieën in de blubber, de rode emmer zat al snel vol kikkers. Klaasje en Bes deden de kikkers en ik ging achter de zeldzame hagedissen aan. Uiteindelijk had ik er twee, beide zonder staart weliswaar. Tevreden met de vangst rustten we uit op de denneheuvel. Vanaf daar konden we het bootje zien aankomen en onder de bomen viel de warmte mee. 

Dit is het land tussen de zee en het bos,  daarachter was de stad. Het landschap is vreemd, met na elke bocht een nieuw wereldje. Helmgras langs het zand, echte bloemen willen niet in het zand groeien. Maar hoe losser het zand, hoe bozer de planten. Scherp zijn ze, en onmogelijk uit de grond te trekken. Na de zandheuvels zijn de verschillende plekjes van deze wereld: De groene heuvels, de bruine heuvels, het domein van zeemeeuwen en lieveheersbeestjes,de paardenvlakte, de moerassen. Verder het land dat onder water loopt als het veel geregend heeft, het dennenbos, de olifantenvlakte, de klimbomen. 

Toen de zon de zee aanraakte kwamen de golven. Een golf rolde op het strand, en daarmee ook het bootje, het witte bootje met de blauwe binnenkant. De kikkers in de emmer waren uitgedroogd, en een van de hagedissen was ontsnapt. Ik rende snel van de heuvel om de enige levende kikker terug naar zijn moeras te brengen. Snel terug, maar de boot was weer verdwenen. Hij wachtte nooit, dat had ik kunnen weten. Maar dingen van belang kon ik nooit zo goed controleren. Bes en Klaasje waren weg, ook zij wachtten niet. De rode emmer mee, en ik ging lopen. Eerst rustig want ik zag er tegenop. Bij de grens hield ik mijn adem in, deed mijn ogen dicht en sprintte tot ik geen adem meer had. Voeten in het zeewater, niet op het zand. Op het strand van Naakte Mensen wist je nooit waar je liep. Een kuil was soms een mond, een bergje zand was een been. De huid van de Naakte Mensen had dezelfde kleur als zand. Ik wilde niet zien waar ik gelopen had, waarover of waarlangs. Ik gluurde door mijn wimpers, en ik was er al weer voorbij. Rustig kon ik verder, de vloed was immers al voorbij. 

Garnalen in het donker op de vlonder, ieder een bekertje. Zelf mochten we de staart eraf draaien. Het koken had ik gemist, jammer want ze gaan levend in de pan. Dan kronkelen ze even, en dan worden ze roze. Klaasje was al weg naar zijn huis. Ook zijn moeder was een tante, maar zij was liever alleen. Bes was met Jack onze piratenvader mee naar het grote huis. We wilden nooit terug naar daar, de moeder en ik. Dus bewaakte de piratenvader het grote huis, en wij bleven bij de tantes in het kleine huisje. De Helling, zo heet het grote huis. Het is ingebouwd tussen vele andere huizen, en hangt hoog in de lucht. De moeder werd er onrustig van. Toen heeft ze het huis de Helling genoemd. Ze dacht altijd dat de vloer kantelde, zodat het een helling werd. Daarom waren alle meubels verankerd aan de vloer. Maar de moeder was vaker onrustig, ook in het kleine huis. Teveel tantes, teveel wind. Soms droomde ze van vliegen kruipend onder haar huid, dan ging ze zwemmen, urenlang. Dan mochten Bes en ik mee, ook in de regen.

De moeder wist heel goed waar ze moest blijven, bij de zee en in de wind. Jack de piratenvader en Bes horen bij de Helling, en af en toe kwamen  zij naar het huisje. Zelf wist ik nooit waar ik liep, ik kon de weg nooit meer vinden. Dingen van belang zijn kon ik niet controleren. Ook de paadjes niet, daar had ik geen controle over, niet meer in ieder geval. In het gebied, daar tussen de zee en bos, leven de koeien. Helemaal uit Schotland komen ze, waar ze thuis horen. Niet hier. Opeens waren ze er gewoon. Met oranje lange haren, en horens 2 keer groter dan hun hoofd, ze dwalen maar wat rond. Tevreden, dat wel. Traag en sloom gaan ze onverstoord hun gang, niemand kan hen afschrikken. De manier waarop zij zich voortbewegen door dit gebied is door de paadjes te maken. Dwars door de gewassen en bomen, en als ze er maar vaak genoeg met hun karavaan door heen trekken ontstaat er een pad. Door alle landschappen, wereldjes en landen die hier te vinden zijn, hiertussen krioelen al deze geheime weggetjes. En het geheim hiervan ben ik al lang verleerd. Daar hebben zij voor gezorgd, de koeien zelf. Ooit was het goed, toen ik mijn rode fiets nog niet had. Ik mocht achter ze aan, achter de karavaan. Maar er is een regel die zij hebben.
Kijk niet naar het Kind.
Ik heb het Kind gezien, de baby. Het enige raadsel dat zij willen bewaren. Elke 5 jaar wordt het Kind geboren, en elke 5 jaar gaat men op jacht.  Er was zelfs een fotowedstrijd vanuit de stad; wie de beste, mooiste foto van het Kind kon maken. De winnaar had zijn vier poten gefotografeerd, de rest van de baby was verborgen, achter de rode haren van zijn familie. 
Die middag was ik bij het olifantenkerkhof, toen kon ik dat nog vinden. Achter een groot schedel. Alleen en in de schaduw. Want de zon was er zoals hij nooit meer komt, zelfs niet augustus. Bes en ik waren de hele ochtend in de golven geweest, mijn benen waren zwaar en mijn hoofd duizelig. Ze kwamen plotseling, zoals ze altijd doen; zonder geluid en altijd op hun gemak. Vanuit de prikkelstruiken, een voor een. De stoet was lang, het was het einde van de dag en dan waren ze allen samen. Het was een pad wat nog niet was ontstaan, het was nog niet af, ze waren hem aan het laten ontstaan. Daarom kon hij zich niet tussen zijn familie verschuilen. En toen zag ik het Kind, stiekem vanachter de schedel. Geen gouden hoorns, geen witte vacht of blauwe ogen. Oranje als zijn tantes en een hoofd wat nog te groot was voor zijn lichaam. Ik had hun mysterie gezien, en nu pakten zij mij hun andere geheim af. Het zien van het Kind in ruil voor de kennis van de paden. Elke keer als ik de weggetjes nam, veranderden ze. Ze waren ineens verdwenen, of kwamen heel ergens anders uit. Bochten gingen hun eigen leven leiden, en ik was altijd een stap te laat om te ontdekken waar ik was. Paadjes die weg waren, doken ergens anders weer op, maar nooit in de juist richting. Niets bleef hetzelfde

Als het eb was moesten we de kreeftjes verhuizen, Klaasje, Bes en ik. Van de ene schelp naar de andere. Dat was het spel wat Bes had bedacht. De moeder zat in het zand en keek naar ons. Eerst kwamen de lieveheersbeestjes, als de boodschappers van de storm. De wind ging harder waaien. De meeuwen lachten. Na de storm, toen zag ik de moeder niet meer. Ze wilde mijn hand nog pakken, want die zag ik als laatst. De hand vanuit het zand dat omhoog waaide en ons blind maakte. Maar ik raakte de hand van de moeder nooit aan, ik glimlachte ernaar. Toen was hij weg. Ik verwachtte dat het zand zou dalen en dat de moeder er zou staan. Misschien onder een laagje van wit zand, wat nog aan haar plakte omdat ze net gezwommen had. Er was zeewier in haar haren, misschien. Maar het zand dwarrelde te traag naar beneden, en toen was ze al weg. 

Het was niet de eerste keer dat de wind kwam. Veel eerder al. Toen de mannen van de haven nog achteruit praatte, alle letters omdraaiden. Tong en schol. Lohcs en gnot. Grote Klaas sprak deze taal van de vishallen.  Toen hij 14 jaar was verdween hij. De moeder was ervan verzekerd dat het door de wind kwam.  Die jaagde hem weg. Die schreeuwde in zijn hoofd, kwam onder zijn vel. Opgejaagd naar de kade en daar voorbij, waar de vissersboot van zijn neven hem hadden opgevangen. Zolang hij onderweg was, bleef hij de wind voor. Alle diensten nam hij aan, voor zeven jaar lang.  Het enige contact met het land, met de tantes en de moeder, verliep via de radio. De jeuk ging weg, en zijn hoofd werd weer kalm.  Na 7 jaar had Grote Klaas een nieuwe tante opgevist (degene die liever alleen bleef). Verstrikt in een net, niemand wist wie hem geknoopt had. Klaas nam haar mee aan land toen de baby kwam. Klaasje, maar Grote Klaas grapte dat hij Slaak heette. Voor Grote Klaas, die niet in boodschappen of tekens geloofde was dit een teken. De wind was voorbij. Hij voelde zich groots, want hij had de wind verslagen. Zijn oude huis, de boot van de neven werd verruild voor de hijskraan. Zo kon hij over het land bewegen, maar in de verte zou hij de oceaan blijven zien. Alleen maar om het in de gaten te houden en te controleren, de wind is er immers altijd. Maar belangrijke dingen waren niet te controleren. 

De moeder was veranderd, het kwam door de wind. De wind gooide het zand voor de zon en bleef ervoor zweven. Te lang duurde het, het dwarrelde te traag naar beneden. Bergjes zand waren verplaatst en zelfs de zon was nooit meer hetzelfde. Minder warm en minder fel. Diepere kleuren, dat wel. Vooral meer schaduwen. En de wind ging niet meer weg. 
De wind had de moeder meegenomen.  Ze was er wel, maar vaker niet.  Als ze er was bleef ze in de Helling. Daar kon de wind haar niet vinden, en bleef alles op zijn plek. Vastgespijkerde tafels aan de vloer. Kasten waren getimmerd aan de muren. Lijm onder de bloemvazen. 
We stuurden elkaar boodschappen door middel van taarten, de moeder en ik. Het moest wel zo. Vertellen deed ik niet aan, aanraken ook niet. We waren gewend te communiceren met glimlachen, maar dat deed de moeder niet meer. Appelblokjes sneed ik op zo’n manier dat de moeder het kon lezen. In citroentaarten verstopte ik mijn plastic beestjes, ik hoopte dat ze zou begrijpen wat ik ermee bedoelde. Worteltaarten spraken voor zich. 
Waar ga je heen?
Bemoei je er niet mee
Bes: zal ik mee?
Toen was ik al weg. Op de rode fiets, de lange weg langs het kanaal. Niet richting zee, maar juist de andere kant op. Toen Klaasje Grote Klaas werd, zocht ik hem daar vaak op.  Hij wilde niet meer naar het huisje. De hijskranen waren nu zijn huis. De hijskraan van oude Grote Klaas was al weg, onder water. De nieuwe kraan stond tussen grote grijze containers. De kade was lawaaiig en er brandde altijd lichtjes. Maar Klaasje was hoog, boven in de hijskraan. Zo hinderde het geluid hem niet. De paadjes van de koeien heeft hij nooit gekend, maar ik dacht altijd dat hij ze kon zien, zo hoog vanuit zijn kraan. De koeien kwamen pas toen de wind was teruggekomen.

De hijskranen stonden overal langs het kanaal. Vanaf de duinen tot aan de stad. Het werk was niet moeilijk, wel zwaar. De meeuwen cirkelden altijd rond de cabine, ze moesten Grote Klaas aan wind herinneren. Omdat de cabine goed dicht was hoorde hij geen geluid, geen meeuwen en geen wind. Vanuit de hoogte kon Klaas de zee zien. Het kanaalwater stroomde niet. Het brakke water uit blauwgrijze kanaal werd door de sluizen systematisch de zee in geleidt. Het groen van het gebied tussen zee en bos, daarna de toppen van de duinen en dan het water van de oceaan. Zondagmiddag, de kleine stipjes  op het grijs van de zee waren de schepen die in rij stonden voor de sluizen. Over een paar uur zouden ze rechtonder de kraan door, langs de kade van grote Klaas, verder trekken naar de stad. Boven de duintoppen waren nog meer stipjes te zien, dichterbij maar wel kleiner.  Grote Klaas herkende er vliegers in. Natuurlijk was de wind er altijd. 

Grote Klaas had niet gewonnen, de wind had niet opgegeven. Zelfs de tante die liever alleen bleef werd niet overgeslagen. Er was een reden waarom zij liever alleen bleef, het was nodig voor haar Doel. Het was haar doel om Contact te maken met de Goden. De tantes waren simpel en jaloers. Ze waardeerden haar vreemde-vogelgezicht niet. Klaas, hun kleinste besje, was voor hen nooit aan wal gekomen. Jarenlang zijn zij elke week naar de haven gelopen om Klaas te spreken, waar ze met de zeeradio van de kustwacht mochten berichten. En voor de vangst van zo’n gespikkelde vogel was hij ineens terug, voor altijd. De opgeviste tante was vreemd, paste zich niet aan. Haar therapieën,  yoga, Buddha, zelfhulpboeken waren vaak het onderwerp van grappen. De tante vond haar Contact door middel van vliegeren. Voeten in het water, vlieger erboven. Hoe groter de vlieger was, hoe gelukkiger ze werd. De wind was boos, en nam de  grootste vlieger. Tante verdween een moment. Contact met de Goden. Gekreukeld en verstopt onder wit schuim van de golven kwam ze weer tevoorschijn, maar ze was afweziger dan ooit.

Een windvlaag is een plotselinge en tijdelijke toename van de werkelijke windsnelheid.  De wind verandert van schijnbare richting. Voor boten of bewegende objecten lijkt het of de richting verandert. Geen probleem voor boten. Zeilboten kunnen juist dichter naar de wind toe varen, en sneller hun doel bereiken, Hijskranen zijn traag en weinig wendbaar. Ze moeten vertrouwen op het skelet. De hijskraan van grote Klaas verdween zonder een waarschuwing onder het water van het kanaal. De cabine was dicht, tegen het geluid  van de zeemeeuwen. Maar het water wist toch een weg te vinden om naar binnen te spijpelen. 

Het huisje was alleen en grijs. Zelfs de kleuren waren door de wind meegenomen. Niemand kwam er meer. Bes was vastgeplakt in de Helling. Ook de tantes waren weg, niet door de wind, maar wel voor altijd. Maar ook zonder tantes was dit mijn huis.
Waar anders?
Niemand in de zee, en niemand op het strand. Na mijn werk ging ik erheen. Het terras van mijn werk was op de heuvel waar de wind het hardste waaide. Het was naast de vuurtoren en ooit woonden hier de zeldzame hagedissen. Toen de nieuwste haven werd gebouwd zijn ze weggejaagd. Nu is het de verzamelplaats van oude mannen uit de haven. Rijke mannen met bedrijven uit het industrieterrein, net niet oud genoeg om met pensioen te gaan. Ik lachte altijd naar ze, en ze vroegen nooit waar ik heen ging. Terug moest ik door het industriegebied met de rode fiets. As ik terug naar de Helling ging  moest ik hierlangs, maar ook als ik naar het huisje wilde. Werkplaatsen, bedrijven, goedkope illegale huisjes voor mensen van ver weg. 
’s Nachts was er geen licht hier, hoewel het werk altijd door bleef gaan. Om de paar seconden vertelde de vuurtoren waar ik fietste. De wind bepaalde hoe hard ik ging. Soms deden we wedstrijden, de wind en ik. Als ik won mocht ik naar het huisje, of naar de paadjes. Dan mocht ik verder fietsen, en onderweg gaan. Dan ging niets voorbij en was het nog niet echt.
Als ik verloor moest ik naar de Helling. Waar de piratenvader het huis bewaakte, terwijl de moeder de wind uitdaagde en alles, inclusief Bes, verankerde aan de Helling. 

Ik ben me er wel van bewust dat het onderweg wat mij fascineert uit verschillende kanten en hoekjes bestaat. En ik wil het op een observerende manier benaderen, niet perse positief of negatief, en soms romantisch maar ook realistisch. Maar wat ik ermee wil vertellen gaat verder dan op vakantie gaan. Er zijn mensen die ervoor kiezen om alle vaste dingen op te geven en op een misschien wel reizende manier (in ieder geval minder vaste manier) te gaan leven. Met of zonder spullen , met of zonder anderen. Sommigen zijn geboren om ertussen te leven, omdat het gewoon zo is, zo is de cultuur en traditie. Een voorbeeld hiervan zijn de mensen die op een bootje op een groots meer leven, wonen en werken (die ik eerder in het blog heb gepost). De gemeenschappen die ontstaan, of die er al zijn bij deze manier van leven interesseren mij ook. Vissers op boten. Mensen op booreilanden of in mijnen in the middle of nowhere waar men tijdelijk zijn thuis van moet maken en daar leeft. Het kan ook op een nog dwingendere manier. Mensen die alles wat ze hadden, wat belangrijk is en wat hun thuis is, moeten achterlaten en opgeven. Tijdelijk omdat het onveilig blijft, maar vaak voor altijd, omdat er niets is om naar terug te keren.

Wat als het terugkeren nu het onderweg zelf is. Dat het onderweg als thuis is, en dat er niets iets wat vasthoudt?

the Swimming Cities of Switchback Sea

nog een project van Swoon

zelfgemaakte boot/stadjes van gevonden materiaal op straat. Behalve het materiaalgebruik, de reizende elementen en dat het over zee gaat, vind ik het idee dat zo’n project zo in het dagelijks leven tussendoor kan komen. Het heeft (in eerste instantie) niets te maken met kunstinstellingen, gallerieen of musea. Het is gewoon een plan om een mooie wereld te creeeren tussen het alledaagse leven door. Iets wat meedoet in de wereld en context zoekt met het alledaagse leven.


Swoon gebruikt de stad als haar canvas, geinspireerd door andere streetartists en graffitikunstenaars. Met techniek als  van houtsneden en papieren cut-outs maakt zij realistische figuren die ronddwalen rond haar eigen verzonnen werelden, die vooral urban invloeden hebben. Tussen de schaduwen en ruimtes die bruggen, watertorens, verkeersborden, brandtrappen leven haar figuren. 

 “Schaduwen spreken tot ons. Ze prikkelen onze fantasie, spelen in op onze angsten en verlangens. Ze lopen achter ons aan, met ons mee en voor ons uit. Ze imiteren, persifleren en misvormen. Ze beangstigen, verduisteren, laten ons zo goed als verdwijnen, de ene keer gewild, de andere keer ongewild, en hinten in lichtzinniger ogenblikken op een ander, uiterst vluchtig bestaan, waarin niets nog van enig belang lijkt te zijn dan de gestalte die ze toevallig hebben gekregen”. 

Edzard Mik over schaduw

Ver, en wat mij inspireerd.

Iets ertussen in, tussen verleden en toekomst. Tussen thuis en weg. 

Miyukio Kuyama (http://www.miyukiokuyama.com) Fotografe uit Japan, maar woont nu in Nederland. Met haar beelden probeert ze een bruggetje of lijntje te maken tussen hedendaagse realiteit en het verleden en plekken ergens anders, naar thuis, of een ‘basis’.  Op een persoonlijke manier laten haar beelden onder andere sporen van vroegere verhalen zien. Beelden van thuis, of wat met haar kindertijd te maken heeft. En wat ze nu mist, in het heden, creeert ze zelf door middel van kleine gemaakte scenes (in miniatuur)

Behalve dat de fotografie me heel erg aantrekt, vind ik ook dat haar intenties en statement veel te maken heeft met mijn eigen onderwerpen en fascinaties. Misschien is het dat wat me ook aantrekt in het werk. Het onheilspellende van de plaatsen die gefotografeerd zijn vind ik mooi. De plaatsen lijken rustig en niet bijzonder, maar door het onheilspellende en nostalgische er toch doorheen sijpelt vind ik het heel erg mooi. De vaagheid zorgt voor de spanning tussen wat je werkelijk ziet, en wat voor verhaal, verlangen of emotie er omheen hangt.